Hoe werkt borstvoeding?

In elke borst liggen trosjes melkklieren. Hierin wordt moedermelk gemaakt. De “bouwstoffen” komen uit het bloed. De melk stroomt via de melkkanalen naar de tepel. De melkproductie wordt voornamelijk geregeld door twee hormonen: prolactine zorgt voor de aanmaak van melk uit het bloed en oxytocine zorgt dat de melk naar voren wordt gestuwd: de toeschietreflex. Als de baby aan de borst drinkt, krijgen de hersenen van de moeder een seintje om deze hormonen te maken. Zowel grote als kleine borsten kunnen voldoende melk maken om een baby te voeden.

Voor het eerst aan de borst

In de ideale situatie vindt het eerste aanleggen aan de borst binnen 2 uur na de bevalling plaats. De baby is dan wakker en alert en zal deze poging goed onthouden. De eerste dagen zijn oefendagen waarin de melkproductie op gang komt. Het is van belang om deze periode goed te gebruiken en de baby vaak aan de borst te leggen. Zowel de baby als de moeder moeten het leren. Bijvoeding is echt niet nodig, jou baby heeft reserves genoeg en dit verstoort juist het evenwicht tussen vraag en aanbod.

De eerste dagen

De eerste dagen na de geboorte noemen we de moedermelk “colostrum”. Deze eerste melk is zeer rijk aan antistoffen en andere voedingsstoffen, die moedermelk zo bijzonder maken. Antistoffen beschermen de baby tegen ziekten. De eerste melk is eiwitrijk en vetarm, daardoor licht verteerbaar. Bovendien werkt colostrum laxerend, zodat de baby zijn eerste ontlasting (meconium) gemakkelijk kwijt raakt. Baby’s “vertellen” hun moeder dat ze honger hebben door signalen te geven. Wakker worden is zo’n signaal, net als smakgeluidjes maken, zoeken met hun mondje en pas in het laatste geval huilen. Als de baby bij jullie op de kamer ligt kan je deze signalen makkelijk herkennen.

Goed aangelegd

Wanneer een baby goed aan de borst drinkt, ligt het buikje tegen jouw buik met het neusje en kin tegen jouw borst. De baby heeft een grote hap van de tepelhof in de mond, de lipjes zijn naar buiten gekruld en het tongetje is onder de tepelhof. Je hoort de baby regelmatig slikken en de oogjes zijn open. Let ook op het zuigritme. De baby zal in een snel ritme oppervlakkig beginnen te zuigen. Zo wordt de toeschietreflex opgewekt. Zodra de melk toestroomt zie je dat de baby grote slokken gaat nemen, de hele kaak beweegt en je hoort de baby slikken. Korte pauzes zijn niet erg. Aan het einde van de voeding worden de pauzes langer en het zuigritme verandert. Je ziet dan geen grote kaakbewegingen meer, maar kleine korte bewegingen alleen met het mondje. Dit is het moment om de baby van de borst af te halen. Vaak heeft de baby zich vastgezogen. Je kan het vacuüm doorbreken door voorzichtig je pink in de mondhoek te duwen. Trek nooit de baby van de borst! Vaak valt een baby aan het eind van de voeding in slaap en laat dan de borst vanzelf los. Leg hem dan lekker rechtop tegen je aan voor een eventueel boertje.

Voorkomen van stuwing

Wanneer de baby de eerste dagen zoveel mogelijk de kans krijgt om aan de borst te drinken (8-10 keer per dag), komt de melkproductie sneller op gang en voorkom je ernstige stuwing. Stuwing is het verschijnsel dat op de 3e tot 4e dag na de bevalling optreedt door het vollopen van de borsten met melk. De bloedvaten gaan ook extra werken om de ingrediënten voor de melk aan te voeren. De borsten kunnen dan hard en erg vol aanvoelen. Dat kan pijnlijk zijn. Door ze regelmatig goed leeg te laten drinken zal de stuwing binnen 1 à 2 dagen verdwijnen.

Voorkomen van tepelproblemen

Een voldragen baby wordt geboren met reflexen, die gericht zijn op het vinden van de tepel, het zoek en de hapreflex. Strijk je met je tepel langs de lipjes, dan zal de baby het mondje wijd open doen en de tong uitsteken. Zo zal de baby een grote hap nemen en een zo groot mogelijk gedeelte van de tepelhof in het mondje nemen. Het neusje komt tegen je borst. Zo voorkom je pijnlijke tepels. Aan de tepel kun je ook zien of de baby de borst goed in de mond heeft gehad: de tepel moet er rond, niet afgeplat en ongeschonden uitkomen. Doet de tepel pijn, is er een duidelijke streep op zichtbaar, of is de tepel wit (bloedeloos), dan betekent dit dat de baby de techniek nog niet helemaal onder de knie heeft. Laat onze deskundige dan nog eens meekijken bij het aanleggen. Tepelproblemen wil je liever voorkomen!

Tekenen bij de moeder dat de baby goed drinkt:

  • Voelt “trekken” aan de borst, niet pijnlijk.
  • Krijgt dorst tijdens het voeden.
  • Voelt de melk toeschieten (niet elke moeder voelt dit).
  • Wordt ontspannen en of slaperig tijdens de voeding.
  • Borsten worden soepeler tijdens het voeden.
  • Tepels zijn uitgerekt (niet afgeplat) direct na de voeding.

Tekenen bij de baby dat de baby goed drinkt:

  • Maakt eerst korte, snelle zuigbewegingen tot de melk toeschiet en daarna  ritmische zuigbewegingen (met pauzes waarbij de borst niet losgelaten wordt).
  • Baby heeft bolle (ronde) wangetjes.
  • Slikt hoorbaar en/of zichtbaar.
  • Onderkaak beweegt zich tot aan het oortje.
  • Ontspant wanneer de voeding op gang komt.
  • Laat uit zichzelf de borst los.
  • Urine: minimaal 6 natte luiers vanaf dag 6, helder en reukloos.
  • Ontlasting minimaal 2x per 24 uur vanaf dag 4 tot ongeveer 5 weken
  • Valt na dag 4 niet meer af